bijdragen in woord

Ceders voor Bas

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

maandag 02 november 2009 11:41

Ike Cialona en Meindert BurgerCeders voor Bas

ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag


1
B edeesd strijkt herfstig licht door het café.
Daarbinnen zit een schare fans te wachten,
Met sjekkie of sigaar, met koffie, thee.
Wat is het dat die mensen zo doet smachten?
Welk wereldwonder, welke coryfee
Beheerst hun nog vertroebelde gedachten?
‘Hij komt niet meer. Het leven heeft geen zin.
Schenk mij alvast mijn eerste borrel in.’

2
A ch, zal misschien een dichter binnentreden?
Is het soms Meindert Burger? Willem Jens?
Vereert men deze man? Om welke reden?
Is hij beroemd? Is hij een supermens?
Gespannen luisteraar, hij wordt aanbeden
Door ongewone menigten van fans.
Hij is niet een gewone Wellingklant:
Hij heeft een ceder in zijn tuin geplant.

3
S telt u zich voor: een kunsthistoricus,
Vooral in hoofdstadsbouwkunst een geleerde;
Een kennisspreider, een didacticus,
Die wat hij wist zorgvuldig etaleerde,
Als een volleerd romantisch practicus
Die niet voor niets Berlage adoreerde,
Diens Amsterdam, waaraan hij heeft verpand
Geheel zijn hart, niet minder zijn verstand.

4
L iefst staat hij hele dagen in zijn stalletje
Te leuren met zijn koopwaar: boeken, boeken
En nog eens boeken. Bij een verkoopdalletje
Kan hij dan altijd nog vertroosting zoeken
In een of ander onverkocht gevalletje
Over de hoofdstad, reizen, of een kloeke
Drankencyclopedie, kookboek of krant -
Of boeken over hoe je ceders plant.

5
U weet, hij heeft een netwerk van jewelste
Van kunst, cultuur en ook van politiek.
Hij wisselt van bestuur het allersnelste
En raakt daarbij zeer zelden in paniek.
Een kouwe kikker? Zeker niet. Het felste
Komt in hem boven bij het woord ethiek.
Niet vreemd dan dat hij kiest de linkse kant;
Heeft Wouter Bos dus in zijn tuin geplant.

6
B eminnen kan hij ook, en vele vrouwen
Beminnen hem, misschien wel al te zeer!
Hun liefde kan hem soms wel eens benauwen,
Dan vlucht hij weg, tot hem een volgend keer
Twee mooie ogen, bruine dan wel blauwe,
Opnieuw beheksen kunnen - min of meer.
Lang duurt het niet. Hij schuift ze aan de kant:
Er moet een ceder in de tuin geplant!

7
B aas is hij ook, en hoe! 'Zeg kastelein!
Mag ik van u een borrel en een biertje?'
De gaven die voor zoiets nodig zijn
Passen niet één - twee - drie op een A-viertje.
O wee, het bier is af! Waar staat de wijn?
De baas bemant de bar voor een kwartiertje.
'Het personeel kon beter,' mort een klant,
'Had hij maar ceders in het park geplant.'

8
E n wat voor vaderschap voorradig is,
Daar heeft hij driftig van gebruik gemaakt:
Geen vader is hij sui generis,
Hij heeft die kwaliteit nog vervolmaakt,
Daar hij schoon-, stief- en groot-liefdadig is.
Begeerte heeft hem hevig aangeraakt,
Hij mint en wordt bemind aan alle kant.
Hij heeft een stamboom in zijn tuin geplant.

9
R ust zoekend kan hij aan de stad ontkomen
In Varik, in de groene Tielerwaard,
Waar hem de wolkenlucht en waterstromen
Niet remmen in zijn tomeloze vaart.
Er staan daar in de tuin geen cederbomen,
Maar wel heeft hij een grote hoogstamgaard
Op een voormalig stukje weideland
En voor zijn woning leilinden geplant.

10
H ij pleegt zich met zijn schat te recreëren,
Een reuzevat van opgepoetst metaal.
Dat vult hij met de appels of de peren
Die immers welig tieren aan de Waal.
Hun sap gaat hij vervolgens destilleren
Tot ware nectar voor ons allemaal!
Zo’n vat waarin hij levenswater brouwt
Ruikt beter dan een tuin vol cederhout!

11
U itgever is hij. Zou de mens niet lezen
Van kunst en schoonheid - tja, waar zijn we dan?
We zouden gemankeerd als torren wezen,
Die afgezakt zijn naar een lager plan.
Alleen de letteren doen ons genezen
En maken van het beest in ons een man,
Die 't mooiste hier op aarde uit mag kiezen
En nooit zijn zielsgeluk meer zal verliezen.

12
I ntussen leest en schrijft men nog, en al
Die boeken moeten worden uitgegeven.
De marges in dat vak zijn nogal smal,
Maar met wat moeite valt ervan te leven.
Bij velen leidde hoogmoed tot hun val
Maar eentje is er overeind gebleven,
Een trotse obelisk in boekenland:
Hij heeft een ceder in zijn tuin geplant.

13
Z o pleegt hij, als de herfst begint te woelen,
Met vrienden die al even gretig zijn,
Op reis te gaan naar literaire doelen.
Hij voerde ons per veerboot, bus of trein
Naar Napels, Wenen, Oxford, Istanboel en
Sint-Petersburg, Odessa, Praag, Berlijn,
En heeft bij menig fan en geestverwant
 Het zaad der Fernweh in het hart geplant.

14
E n van gedichten houdt hij ook, geschreven
Door droeve dichters uit een verre stad,
Die hem soms vele maken derwaarts dreven,
Naar Triëst, dat Umberto Saba had,
En naar Ferrara, met het joodse leven
Dat men, dankzij Bassani, niet vergat.
Bassani's tuin herbergt geen ceder, want
Daar heeft hij een magnolia geplant.

15
N u ja, u hebt het uiteraard geraden:
Wie zo geprezen wordt om wat hij is,
Bedolven wordt onder zo'n lofcascade,
Is hij die middenin de wildernis
Van deze wereld vaak ons overlaadde
Met voor esprit et corps zijn lafenis.
Wij schetsten hem zoals hij is en was.
Nu wordt hij zestig jaar en blijft hij Bas.

 

Bloemlezing

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

maandag 02 november 2009 11:42

Jan de Bruijn

Bloemlezing

 


Hij is het najaar toegenegen
Wanneer men Allerzielen viert
De stormwind om de daken giert
En, in november, altijd regen

Dan zal een zucht van weemoed klinken
En wordt de drank met smart verbeid
Altijd dit lege glas, altijd
De neiging om maar door te drinken

Wat valt ten leste nog te hopen?
Men weet dat alles eens vergaat
Gelukkig in de Dapperstraat
Maar hier in Welling zwaar bezopen

Gelukkig is de Dapperstraat
Van hieruit net nog te belopen

 

Paul Witte

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

maandag 02 november 2009 11:48

Zelden waardeer ik Welling meer dan wanneer ik op vakantie ben. Maar wat wil je: het dunner wordend haar gaat niet in nevels van sigarenrook gehuld, maar wappert dapper in de Mediterrane wind; om me heen is nog niet iedereen aan de tand des tijds ten prooi gevallen en de carrousel op de boulevard achter me wordt bediend door een jonge vrouw die zo vanuit de verte sprekend op Sophia Loren lijkt.
Als ik daar aan het strand lig en het café trekt aan mijn geestesoog voorbij, kan het gebeuren dat er alleen maar favoriete klanten zijn. Het strijklicht valt filmisch door de openstaande zomerdeur naar binnen en ja hoor, daar komt het Sophia Loren-meisje aangewandeld - ze bestelt natuurlijk geen kop thee maar een glas ricard, waarmee ze heupwiegend het terras op loopt.
Het moet niet nog mooier worden. Voor je het weet staat de oude heer Welling zelf achter de toog.
De bel van de carrousel wekt me uit mijn dromerij. Het mechanisme komt in beweging, kleuters draaien met nietsvermoedende blijdschap in het rond. De jongens en meisjes op het strand zijn nog onsterfelijk en de jonge gezinnen doen me denken aan de vakanties uit mijn eigen jeugd. Maar de ouden van dagen die in kleine groepjes staan te pootjebaden voeren me toch weer terug naar Welling. Want de klanten daar staan weliswaar eerder in een zee van drank dan in het water van de zee, maar ook hun blik dwaalt over verre horizonten. Ze praten zwaaiend met hun glas over de politiek en de literatuur, of smoezen nippend van de jenever de laatste nieuwtjes door. Ondertussen houdt de bediening de boel zo'n beetje in de gaten, alsof ze geen barkeepers maar badmeesters zijn.
Natuurlijk, de werkelijkheid is weerbarstig. Favoriete klanten zijn als de krenten in de pap. De barmannen en barvrouwen hebben goedbeschouwd misschien toch niet zo heel erg veel van lifeguards weg en de oude heer Welling is al jaren dood - Bas schijnt in de afgelopen 25 jaar welgeteld één keer achter de tap gesignaleerd te zijn. En nu we het er toch over hebben: hoe vaak gebeurt het nou eigenlijk dat beeldschone meisjes bij strijklicht het café in en uit heupwiegen?
Nee, dat dacht ik ook.
Maar een kniesoor die daar op let. Ik dagdroom lekker verder. Welling is het prachtigste café ter wereld.

Paul Witte

   

Sotos

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

maandag 02 november 2009 11:47



"Pfft", ik duw de kop, de mijne, oren plat, staart recht naar achter, door het kattenluikje.
In m'n neus allemaal luchtjes, heel anders dan binnen. Stil. Het regent, maar het regent zacht.
Over de tegels, om het schot en dan onder de bank. Ik ga even zitten. Ik kijk en ik denk dat ik denk. Dat duurt wel even.
Dit is allemaal van mij. De straat. De goot met de grassprieten, al dat water. De grijze lucht. De torens van de dokter aan de overkant. Met voor de deur de tuin waar ik wel eens poep. Het is geweldig.
Maar het is rotweer. Geen vogel te zien en horen. De wind wuift door mijn vacht. Ik draai me zo om, en dan ga ik verder met eten. Iets met vis zonder graten. Ik blijf nog even.

Ze zeiden: zo'n kans heb je maar een keer in dit leven. Jullie gaan naar een heus etablissement, met veel leuke mensen . Ze houden daar van katten en niet van muizen. Milos gaat mee.
Milos was er pas. Hij is groot, wat log, hij ruikt sterk, vooral naar pis, en hij wil overal gelijk weg. Hij heeft rare bruine vlekken op zijn flanken. Als hij eet , eet hij het liefst vla.
F. zei aan tafel, we geven hem gestampte muisjes. De mensen hierbinnen lachen soms zo hol. In die glazen die nooit vol zijn.
Ze zeiden, we zetten een advertentie: kat aangeboden wegens allergie. Holle lol.
M. heeft hem meegegeven aan een man met 6 kinderen. Hij fluisterde aan m'n oor: ze eten daar veel pap en pudding. Ik hou al een beetje van M.

Ik draai me om. Het is tijd om binnen te gaan kijken. Door de gang kom ik bij de trap naar de keuken. En bij de open deur naar het cafe. Onder me, in de kelder kom ik later. Als het spannend ruikt. Ik hoor stemmen die ik ken. De hardste stem is van een dikke man die altijd, dus vandaag, een zak met doeken brengt. Hij haalt een zak ,met doeken , die stinkt en hij brengt een zak die anders stinkt. Eerst drinkt hij een glas leeg, dan gaat hij op zijn knieen. Hij schreeuwt, en hij zwaait. En voor hij weggaat wordt ik geaaid.
Want ik ben al op de kruk gesprongen. Hij aait heel zacht met die grote hand.
Op de kruk zit ik met mijn achterkant naar een lichtbak. Daarin zijn vissen. Die bewegen vooral wanneer er van boven een poeder in de bak gedaan wordt. Dat poederen begint nadat ik gegeten heb. Anders maak ik mijn beste geluid. De lange mauww. Of ik spring zo dat de kruk omgaat. Soms.
Achter de bar staan vaak B. of E. of M. of R. of M. Het is maar afwachten wat ze doen. Als ik dat wil aait de een me over de kop, de mijne, krabt een ander me achter een oor, of bij de staart. Of iemand zegt de malste woorden. Er komt ook wel een man binnen, een van de grote tafel, en die slaat me op mijn zitgedeelte. Te hard, verdomme.
Maar spannend.

Een zorgelijk drinkende man zegt, in de krant staat dat een rinoceros 80 km/u rennen kan, stel je voor, bij dat gewicht.. Er volgen meer verhalen over snelle beesten die snel in verre weiden op jacht zijn. Het is tijd voor de Tuin. 'k Ga door de keuken, voorbij het waterbakje, langs de afgekoelde kabeljauw, en spring, ik spring in 1 sprong op de schutting van Strooker. En sta stil in meesterlijk evenwicht. Neus en ogen wijd open. Oren spits en apart draaiend van mijn hoofd. De wind blaast door mijn haren. Ik kijk naar alles. Dit is mijn tuin. Ik hoor stemmen, ruik stilstaand water, er vliegen kleine beesten. Stil, luister, alles werkt. Hier ben ik , Sotos. Dit blijft allemaal van mij.


Matti

 

Onzichtbaar

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

maandag 02 november 2009 11:45

ONZICHTBAAR

'In ruil voor de publieke fooi geeft hij de tijd die nodig is om zich zelf waarneembaar te maken, de kracht die verspild moet worden om zich mee te delen en andermans voldoening voor te bereiden' Mijnheer Teste - Paul Valéry

Welke avond het was weet ik niet meer.
'Wist je', vroeg een klant, 'dat je de gave hebt om jezelf compleet onzichtbaar te maken?'

Ik knikte. Onzichtbaar. Het leek me een twijfelachtig compliment, maar het was tenminste iets. Je hoort wel gekkere dingen. Een vrouw vroeg mij eens, wijzend op haar tandeloze echtgenoot: 'Heeft u een zacht of een hard worstje?'. Misschien had ik die avond moeten stoppen.

De klant stond er nog. Wie in Welling werkt, staat altijd met zijn rug tegen de muur. 'Wat zei je eigenlijk?', vroeg ik.
'Doe maar een bier', antwoordde hij.

 

Marcel