Saluut  

Alledaagse dingen vinden plaats in het leven.
Zo ook de dood.
Staat u mij toe.
Gaat u zitten aan de toog.
Ik zal u schenken wat u wilt.
Want de dood smaakt bitter.
Natuurlijk, in een kroeg zie je mensen.
Soms iedere dag en soms sporadisch.
En al is het een café en zijn wij over het algemeen geen onderdeel van elkaars verregaande leven, toch ontmoeten we elkaar.
Soms gaat er tijd overheen voordat je echt merkt hoe een stamgast, net als het interieur, zijn vaste plek heeft ingenomen.
Ook na zijn of haar vertrek.
In mijn jaren achter de toog zijn klanten gekomen, maar helaas ook gegaan.
 

Er zijn dagen dat ik meen dat er een stamgast langs Welling loopt.
Een stamgast die al gegaan was.
Het hoofd net boven het gordijntje uitstekend.
Dan gaat mijn hand al naar de tap voor het biertje van Hans P, schenk ik alvast de Median in voor Willem, of pel alvast een ei voor Machteld.
Willem knipoogt naar me, heft zijn glas Median, kijkt het café rond en begint dan zijn gedicht voor te dragen.
Ik spoel alvast ijverig een bierglas. Joke kan ieder moment een stapel lege bierglazen van het terras komen brengen in ruil voor een vol glas.
Daar wil ze natuurlijk een mooie schuimkraag op.
Maar dan bedenk ik me: "Elske, dat kan helemaal niet!”

Als een altaartje staat het drankje daar dan de hele avond. Onaangeroerd.
"Drink maar op", fluister ik tegen de schim van Ton. Ik schuif de rosé door over de bar. “Maar neurie alsjeblieft nog wat door.”
“Ik wil geluuuuuukkig zijn” begint hij. Stopt. “Of doen we Eartha Kitt of Marlene met haar boys in the backroom?”
Ik glimlach naar Jeroen, mijmerend, op zijn terugtocht van het theater aan tafel vier.
Wellicht wisselt hij een blik met Babette, aan tafel één.
Tafel acht. Sigarettenrook kringelt omhoog.
Geroezemoes met uitschietende salvo’s, glasgerinkel.
Esther praat en lacht met haar gezelschap aan de ronde volle tafel.
Ik poets de bar, loop een rondje, babbel wat, haal de glazen, spoel de glazen, vul de glazen, snijd ossenworst, hak de blokjes kaas, tel de munten, leeg de kratten, vul de lege flessen bij.
Jonge Bas, eau de vie, witte wijn, Oude Wees.
Binnenkort check ik vast of er nog een Amsterdammertje in zit voor Hans met rugnummer 524 en of Iris dan ook wat meedrinkt.
Wat dronk ze ook alweer...
In gedachten verzonken zie ik niet dat Tommy daar al lang staat te wachten op zijn witte wijn. Met ijs. Zich beleefd maar zichtbaar ergerend aan mijn gedroom.
Ik graai haastig naar glas en ijs en fles.
“ Waar blijft die tosti?” Roept iemand.
Maar het tosti-apparaat weigert alle dienst.
“ Die is helaas overleden.” mompel ik.
 
En dan opent de zomerdeur.
En, als was het een dans, keren hoofden zich gelijktijdig om, als de verschijning van Cox binnenwandelt.
Geeft mij de gelegenheid het bierfust te verwisselen.
Stilte.
Ik sta met een vol  krat nieuwe flesjes op de gang, bij de kapstok in het gangetje.
Onder de schilderijen. Verdomme, toch weer m'n hoofd gestoten op weg naar de kelder.
Dan klinkt een stem, ergens vanachter de jassen. “Één advies, verlies je zelf niet zo in dat personage van Fien dat je jezelf van het balkon gooit of van die barkruk af kukelt”
“Dat is goed Eli, dank je wel.”  fluister ik.
Hij glimlacht, neemt zijn hoed af en verdwijnt achter het gordijn.
In mijn keel zit een brok.
Het café is zo leeg. En toch... het café is zo vol.
“Ik zeg het nog één keer!”
Ik schrik op. De wijsvinger van Frank, dicht bij, onder mijn neus.
Zijn ogen, priemend op mij gericht. “Ik heb ze allemaal gekend...u denkt dat ik gek ben jongedame, maar..”
 

“Wacht effe, ik heb het wel!!” Daphni brult erdoorheen.
Ze kiepert haar portemonnee leeg op de bar. 
Muntjes, een lippenstift en verfrommelde briefjes van vijf, met lippenstift erop.
“Is het goed zo? Anders zeggen he? Gaat het goed met je koters? Ik kom zo terug ik moet eerst plassen.”
Toni zit daar ondertussen, aan de kop van de bar, hoofdschuddend.
Hij wacht op Adri, zegt hij  al zegt hij daar gelijk achteraan dat deze waarschijnlijk niet meer zal komen.
 
Weten wij allen veel welk lot ons beschoren ligt.
Gelukkig niet.
  
Een leeg café.
We mochten weer open.
Maar alles met ontsmetting, en gevaar.
En toen de musea dicht moesten en de horeca dicht bleef en daarna de musea open en de horeca nog steeds dicht bleef, konden we dus geen donker biertje drinken op de terugweg van het Stedelijk.
En niemand die roept  “De laatste ronde’" of “Vooruit, nu is het wel mooi geweest.”
Ja, hooguit tegen u kinderen.
 
Wellicht heeft u nu van uw eigen huiskamer een huiskamer vol sterke drank in Oud Zuid gemaakt.
Maar wij, het team van Welling staan er nog hoor.
Achter de toog. In gedachten.
Wellicht heeft u op uw beurt van ons barmedewerkers ook wel verschillende zien komen.
En gaan.
Maar het café blijft. Op de hoek. En om de hoek.
U mag alleen niet naar binnen. Wegens corona.
Zoals ik al zei: Soms wordt men onderdeel van het interieur.
Ik sprak sommigen van hen pasgeleden nog, tussen de golven door.
 
De volgende lockdown nadert.
Een bierviltje van Café Welling heb ik tussen mijn hand geklemd.
Ik tik ermee op de tafel, laat het ronddraaien tussen duim en wijsvinger.
Het logo draait rond.
Ontworpen door Waldemar.
Weer die brok.
Ik verlang ineens naar een kopje koffie in Café Welling. Met dat logo.
Of een donkerbruin biertje. Op dat viltje. Op dat donkerbruine tafeltje.
En dan kletsen we wat.
 
Volgend jaar, dan zijn we er vast weer met zijn allen.
Voor de borrel na uw werk. Voor een goed gesprek. Voor de koffie met de krant. Of gewoon met boek en aantekenboekje. Of uw geliefde. Voor het ontmoeten. Of gewoon.
Omdat het kan.
Na het concert, waar de musici en het publiek zich samenvoegen, één worden in de kakofonie van het café zonder muziek.
Ik was laatst, bij een gemis aan Welling, naar de Beanery gegaan in het Stedelijk.
Het café van herinnering.
Ik mocht er niet naar binnen.
Niet vanwege corona, maar omdat het te kwetsbaar is.
Fragiel.
De tijd staat er stil.
De hoofden als klokken.
Ze hadden zich al die tijd niet verroerd.
Vereeuwigd zijn ze, in het Beanery Café.
 
Je mag uiteraard altijd bij ons langslopen, daar op de hoek van de straat bij Café Welling.
Door het raam naar binnen kijken of uw hoofd boven het gordijntje uitsteken.
Als deze toevallig geopend zijn.
En anders door de kieren gluren.
Als ware het een kijkdoos.
Als het kon zong ik dan een lied, iets over engelen die lagen bij nacht.
In een kerstig decor.
Met vleugeltjes om en begeleid door Theo Loevendie's Wellingtonians.
U mag dan muntjes inwerpen voor verzoeknummers.
En zie dan een bordje met  “Gesloten” hangen.
Scheef hangt het.
Voor de vitrage, ook scheef, op de zomerdeur.
Al hebben wij geen bordje. Zie het voor u.
Tuur dan door de kieren naar de tafels, de toog, de klok, de bar.
Het interieur.
Voor één ogenblik.
En zie daar dan Dominee Gremdaat zitten. In een leeg café bomvol kerstversiering:
Hij heft zijn glas en roept u toe:
"Het café is dicht, maar wijzelf blijven open"
 
Wij staan namelijk, net als de Beanery, even stil.
                                                                                               

Elske Rollema

CONTACT

Connect

Volg ons op facebook

  • Facebook

ADRES

JW Brouwersstraat 32

1071 LK Amsterdam